|
|
|---|---|
|
|
![]() |
Hoofdstuk tien De volheid van de Absolute śrī-bhagavān uvāca bhūya eva mahā-bāho śṛṇu me paramaḿ vacaḥ yat te’haḿ prīyamāṇāya vakṣyāmi hitakāmyayā De Allerhoogste Persoonlijkheid Gods zei: Luister opnieuw, o sterkarmige Arjuna. Omdat je Mijn dierbare vriend bent, zal Ik voor jouw bestwil verder spreken en je kennis geven die beter is dan wat Ik tot dusver aan je heb uitgelegd. na me viduḥ suragaṇāḥ prabhavaḿ na maharṣayaḥ aham ādir hi devānāḿ maharṣīṇāḿ ca sarvaśaḥ De schare halfgoden en ook de grote wijzen kennen Mijn oorsprong en volheden niet, omdat Ik in alle opzichten de oorsprong van de halfgoden en wijzen ben. yo mām ajam anādiḿ ca vetti loka-maheśvaram asaḿmūḍhaḥ sa martyeṣu sarva-pāpaiḥ pramucyate Alleen degene die Mij kent als ongeboren, beginloos en de Allerhoogste Heer van alle werelden en die niet misleid is onder de mensen, wordt bevrijd van alle zonden. buddhir jñānam asaḿmohaḥ kṣamā satyaḿ damaḥ śamaḥ sukhaḿ duḥkhaḿ bhavo’bhāvo bhayaḿ cābhayam eva ca ahiḿsā samatā tuṣṭis tapo dānaḿ yaśo’yaśaḥ bhavanti bhāvā bhūtānāḿ matta eva pṛthag-vidhāḥ Intelligentie; kennis; vrij zijn van twijfel en verwarring; vergevensgezindheid; waarheidlievendheid; beheersing van de zintuigen; beheersing van de geest; vreugde en verdriet; geboorte; dood; angst; onbevreesdheid; geweldloosheid; gelijkmoedigheid; tevredenheid; ascese; vrijgevigheid; roem en schande—al deze verschillende kwaliteiten van levende wezens zijn geschapen door Mij alleen. maharṣayaḥ sapta pūrve catvāro manavas tathā mad-bhāvā mānasā jātā yeṣāḿ loka imāḥ prajāḥ De zeven grote wijzen en de vier andere grote wijzen voor hen, evenals de Manu’s [de voorouders van de mensheid], komen uit Mij voort door geboorte uit Mijn geest, en alle levende wezens, die de verschillende planeten bevolken, stammen van hen af. etāḿ vibhūtiḿ yogaḿ ca mama yo vetti tattvataḥ so’vikampena yogena yujyate nātra saḿśayaḥ Wie werkelijk overtuigd is van Mijn volheid en mystieke kracht, zal onvermengde devotionele dienst verrichten; daarover bestaat geen twijfel. ahaḿ sarvasya prabhavo mattaḥ sarvaḿ pravartate iti matvā bhajante māḿ budhā bhāva-samanvitāḥ Ik ben de oorsprong van alle spirituele en materiele werelden. Alles komt voort uit Mij. De wijzen die hiervan volkomen doordrongen zijn, bewijzen Me devotionele dienst en vereren Me met heel hun hart. mac-cittā mad-gata-prāṇā bodhayantaḥ parasparam kathayantaś ca māḿ nityaḿ tuṣyanti ca ramanti ca De gedachten van Mijn zuivere toegewijden zijn voortdurend van Mij vervuld, hun leven is volledig gewijd aan Mijn dienst en door elkaar te verlichten en voortdurend over Mij te spreken, ervaren ze grote tevredenheid en geluk. teṣāḿ satata-yuktānāḿ bhajatāḿ prīti-pūrvakam dadāmi buddhi-yogaḿ taḿ yena mām upayānti te Aan hen die Mij voortdurend met liefde en devotie dienen, geef Ik het verstand waarmee ze tot Me kunnen komen. teṣām evānukampārtham aham ajñāna-jaḿ tamaḥ nāśayāmy ātma-bhāva-stho jñāna-dīpena bhāsvatā Om hen bijzondere genade te tonen, verdrijf Ik, die aanwezig ben in hun hart, met de stralende lamp van kennis de duisternis, die voortkomt uit onwetendheid. arjuna uvāca paraḿ brahma paraḿ dhāma pavitraḿ paramaḿ bhavān puruṣaḿ śāśvataḿ divyam ādi-devam ajaḿ vibhum āhus tvām ṛṣayaḥ sarve devarṣir nāradas tathā asito devalo vyāsaḥ svayaḿ caiva bravīṣi me Arjuna zei: Jij bent de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, de allerhoogste verblijfplaats, de zuiverste, de Absolute Waarheid. Jij bent de eeuwige, transcendentale en oorspronkelijke persoon, de ongeborene, de grootste. Alle grote wijzen zoals Närada, Asita, Devala en Vyäsa bevestigen deze waarheid over Jou en nu verklaar Je het me Zelf. sarvam etad ṛtaḿ manye yan māḿ vadasi keśava na hi te bhagavan vyaktiḿ vidur devā na dānavāḥ O Kṛṣṇa, alles wat Je me gezegd hebt aanvaard ik volledig als de waarheid. Zowel de halfgoden als de demonen, o Heer, kunnen Je vorm en Je transcendentale eigenschappen niet begrijpen. svayam evātmanātmānaḿ vettha tvaḿ puruṣottama bhūta-bhāvana bhūteśa deva-deva jagatpate Sterker nog, alleen Jij kent Jezelf door Je eigen interne vermogen, o Allerhoogste Persoon, oorsprong van alles, Heer van alle wezens, God der goden, Heer van het universum! vaktum arhasy aśeṣeṇa divyā hy ātma-vibhūtayaḥ yābhir vibhūtibhir lokān imāḿs tvaḿ vyāpya tiṣṭhasi Please tell me in detail of Your divine opulences by which You pervade all these worlds. Vertel me alsjeblieft uitvoerig over Je goddelijke volheden waarmee Je al deze werelden doordringt. kathaḿ vidyām ahaḿ yogiḿs tvāḿ sadā paricintayan keṣu keṣu ca bhāveṣu cintyo’si bhagavan mayā O Kṛṣṇa, o allerhoogste mysticus, hoe zal Ik voortdurend aan Je denken en hoe zal ik Je kennen? In welke verschillende verschijningsvormen moet ik Je in gedachten houden, o Allerhoogste Persoonlijkheid Gods? vistareṇātmano yogaḿ vibhūtiḿ ca janārdana bhūyaḥ kathaya tṛptir hi śṛṇvato nāsti me’mṛtam O Janärdana, beschrijf alsjeblieft nogmaals uitvoerig Je mystieke volheden. Ik krijg er nooit genoeg van over Jou te horen, want hoe meer ik hoor, hoe meer ik de nectar van Je woorden wil proeven. śrī-bhagavān uvāca hanta te kathayiṣyāmi divyā hy ātma-vibhūtayaḥ prādhānyataḥ kuru-śreṣṭha nāsty anto vistarasya me De Allerhoogste Persoonlijkheid Gods zei: Ja, Ik zal je over Mijn luisterrijke manifestaties vertellen, maar dan alleen over de voornaamste, o Arjuna, want Mijn volheid is onbegrensd. aham ātmā guḍākeśa sarva-bhūtāśaya-sthitaḥ aham ādiś ca madhyaḿ ca bhūtānām anta eva ca Ik ben de Superziel, o Arjuna, die zich in het hart van alle levende wezens bevindt. Ik ben het begin, het midden en het einde van alle wezens. ādityānām ahaḿ viṣṇur jyotiṣāḿ ravir aḿśumān marīcir marutām asmi nakṣatrāṇām ahaḿ śaśī Onder de Äditya’s ben Ik Viṣṇu, van de lichtgevende hemellichamen ben Ik de stralende zon, onder de Maruts ben Ik Marīci en van de sterren ben Ik de maan. vedānāḿ sāma-vedo’smi devānām asmi vāsavaḥ indriyāṇāḿ manaś cāsmi bhūtānām asmi cetanā Van de veda’s ben Ik de Säma Veda; onder de halfgoden ben Ik Indra, de hemelkoning; van de zintuigen ben Ik de geest en in de levende wezens ben Ik de levenskracht [bewustzijn]. rudrāṇāḿ śaḿkaraś cāsmi vitteśo yakṣa-rakṣasām vasūnāḿ pāvakaścāsmi meruḥ śikhariṇām aham Onder alle Rudra’s ben ik Heer Śiva; onder de Yakṣas en Rākṣasas ben Ik de heer van de rijkdom [Kuvera]; onder de Vasu’s ben Ik vuur [Agni] en van de bergen ben Ik Meru. purodhasāḿ ca mukhyaḿ māḿ viddhi pārtha bṛhaspatim senānīnām ahaḿ skandaḥ sarasām asmi sāgaraḥ Weet, o Arjuna, dat Ik van alle priesters de voornaamste, Bṛhaspati, ben. Onder de bevelhebbers ben Ik Kärtikeya en van watervlakten ben Ik de oceaan. maharṣīṇāḿ bhṛgur ahaḿ girām asmy ekam akṣaram yajñānāḿ japa-yajño’smi sthāvarāṇāḿ himālayaḥ Onder de grote wijzen ben Ik Bhṛgu; van alle geluidsvibraties ben Ik het transcendentale oà; van alle offers ben Ik het chanten van de heilige namen [japa] en van onverplaatsbare dingen ben Ik het Himälaya-gebergte. aśvatthaḥ sarva-vṛkṣāṇāḿ devarṣīṇāḿ ca nāradaḥ gandharvāṇāḿ citrarathaḥ siddhānāḿ kapilo muniḥ Van alle bomen ben Ik de banyan-boom en van de wijzen onder de halfgoden ben Ik Närada. Onder de Gandharva’s ben Ik Citraratha en onder de volmaakte wezens ben Ik de wijze Kapila. uccaiḥśravasam aśvānāḿ viddhi mām amṛtodbhavam airāvataḿ gajendrāṇāḿ narāṇāḿ ca narādhipam Weet dat Ik onder paarden Uccaiḥśravā ben, die werd voortgebracht tijdens het karnen van de oceaan voor nectar. Onder voorname olifanten ben Ik Airävata en onder de mensen ben Ik de koning. āyudhānām ahaḿ vajraḿ dhenūnām asmi kāma-dhuk prajanaś cāsmi kandarpaḥ sarpāṇām asmi vāsukiḥ Van alle wapens ben Ik de bliksemschicht en onder de koeien ben Ik de surabhi. Van alle oorzaken van voortplanting ben Ik Kandarpa, de god van de liefde, en onder de slangen ben Ik Väsuki. anantaś cāsmi nāgānāḿ varuṇo yādasām aham pitṛṇām aryamā cāsmi yamaḥ saḿyamatām aham Onder de Näga’s met vele schilden ben Ik Ananta en onder de waterwezens ben Ik de halfgod Varuṇa. Onder de overleden voorouders ben Ik Aryamä en onder hen die orde en wet handhaven ben Ik Yama, de heer van de dood. prahlādaś cāsmi daityānāḿ kālaḥ kalayatām aham mṛgāṇāḿ ca mṛgendro’haḿ vainateyaś ca pakṣiṇām Onder de Daitya’s [demonen] ben Ik de toegewijde Prahläda; van alle overheersers ben Ik de tijd; van alle dieren ben Ik de leeuw en onder de vogels ben Ik Garuda. pavanaḥ pavatām asmi rāmaḥ śastra-bhṛtām aham jhaṣāṇāḿ makaraś cāsmi srotasām asmi jāhnavī Van alles wat zuivert ben Ik de wind; onder degenen die wapens hanteren ben Ik Räma; van de vissen ben Ik de haai en van de rivieren ben Ik de Ganges. sargāṇām ādir antaś ca madhyaḿ caivāham arjuna adhyātma-vidyā vidyānāḿ vādaḥ pravadatām aham Van alle scheppingen ben Ik het begin, het einde en ook het midden, O Arjuna. Van alle wetenschappen ben Ik de spirituele wetenschap van het zelf en onder beoefenaars van de logica ben Ik de uiteindelijke waarheid. akṣarāṇām akāro’smi dvandvaḥ sāmāsikasya ca aham evākṣayaḥ kālo dhātāhaḿ viśvato-mukhaḥ Van de letters ben Ik de letter A en van samengestelde woorden ben Ik het tweeledige woord. Ook ben Ik de eeuwige tijd, en onder de scheppers ben Ik Brahmä. mṛtyuḥ sarva-haraś cāham udbhavaś ca bhaviṣyatām kīrtiḥ śrīr vāk ca nārīṇāḿ smṛtir medhā dhṛtiḥ kṣamā k ben de allesverslindende dood en de voortbrenger van al wat komen zal. Onder vrouwen ben Ik Kirti (roem), Sri (geluk), Väk (welsprekendheid), Smrti (geheugen), Medhä (intelligentie), Dhåti (standvastigheid) en Ksamä (geduld). bṛhat-sāma tathā sāmnāḿ gāyatrī chandasām aham māsānāḿ mārgaśīrṣo’ham ṛtūnāḿ kusumākaraḥ Van de hymnen in de Säma Veda ben Ik de Bṛhat-säma en van alle poezie ben Ik de GäyatrI. Van alle maanden ben Ik Mārgaśīrṣa [november-december] en van de jaargetijden ben Ik de bloeiende lente. dyūtaḿ chalayatām asmi tejas tejasvinām aham jayo’smi vyavasāyo’smi sattvaḿ sattvavatām aham Ik ben ook het gokken van valsspelers en van al wat schittert ben Ik de schittering. Ik ben overwinning, Ik ben avontuur en Ik ben de kracht van de sterken. vṛṣṇīnāḿ vāsudevo’smi pāṇḍavānāḿ dhanaḿjayaḥ munīnām apy ahaḿ vyāsaḥ kavīnām uśanā kaviḥ Onder de afstammelingen van Vṛṣṇi ben Ik Väsudeva en onder de Pāṇḍavas ben Ik Arjuna. Onder de wijzen ben Ik Vyäsa en onder grote denkers ben Ik Uśanā. daṇḍo damayatām asmi nītir asmi jigīṣatām maunaḿ caivāsmi guhyānāḿ jñānaḿ jñānavatām aham Van alle middelen om wetteloosheid tegen te gaan, ben Ik de straf en onder degenen die overwinning nastreven, ben Ik moraliteit. Van geheime dingen ben Ik de stilte en Ik ben de wijsheid van de wijzen. yac cāpi sarva-bhūtānāḿ bījaḿ tad aham arjuna na tad asti vinā yat syān mayā bhūtaḿ carācaram Verder ben Ik het zaad dat alle vormen van bestaan verwekt, o Arjuna. Er is geen wezen—of het nu in staat is te bewegen of niet—dat zonder Mij kan bestaan. nānto’sti mama divyānāḿ vibhūtīnāḿ parantapa eṣa tūddeśataḥ prokto vibhūter vistaro mayā O machtige overwinnaar van vijanden, Mijn goddelijke manifestaties zijn oneindig. Wat Ik je verteld heb is slechts een summiere aanduiding van Mijn ontelbare volheden. yad yad vibhūtimat sattvaḿ śrīmad ūrjitam eva vā tat tad evāvagaccha tvaḿ mama tejo’ḿśa-saḿbhavam Know that all opulent, beautiful and glorious creations spring from but a spark of My splendor. Weet dat alle rijke, prachtige en luisterrijke scheppingen slechts voortkomen uit een sprank van Mijn schitterende grootsheid. atha vā bahunaitena kiḿ jñātena tavārjuna viṣṭabhyāham idaḿ kṛtsnam ekāḿśena sthito jagat Maar waar is al deze gedetailleerde kennis voor nodig, Arjuna? Met een enkel deeltje van Mijzelf doordring en draag Ik dit hele universum. end of chapter 10. Hoofdstuk tien HARIBOL
|
![]() |
|